We zijn er voor je
Ondersteund door ICT
Ondernemer tot ondernemer

Raad van State adviseert regering om Box 3 wijzigen niet in te dienen

De Raad van State, een belangrijk adviesorgaan van de regering, heeft het wetsvoorstel voor de nieuw Box 3 heffing van commentaar voorzien. De korte conclusie is: het is te complex.

Heffing in Box 3

In Box 3 wordt inkomstenbelasting geheven over spaargeld en beleggingen. Hierbij is in eerste instantie gekozen voor een eenvoudig stelsel met een fictief rendement. Dit stelsel is onhoudbaar gebleken in uitspraken van de Hoge Raad van 2016, 2021 en 2024.

Daarbij wordt het zogenoemde “Kerstarrest” van 24 december 2021 gezien als het belangrijkste kantelpunt. Daarin heeft de Hoge Raad geoordeeld dat heffing naar werkelijk rendement dient te volgen. Hoewel de belastingdienst dit heeft proberen te beperken tot spaargeld, heeft de Hoge Raad in juni 2024 nogmaals bevestigd dat het werkelijk rendement ook voor beleggingen geldt.

Nieuwe wetgeving

Naar aanleiding van de wetgeving is een tijdelijke regeling getroffen (welke in 2024 ook onhoudbaar bleek) met al doelstelling om in 2027 een nieuwe Box 3 stelsel in te voeren.

Dit nieuwe Box 3 stelsel is vervolgens al weer vertraagd naar 2028, en de belastingdienst geeft inmiddels aan dat een en ander pas in 2029 in de ICT kan worden verwerkt.

Het nieuwe wetsvoorstel wordt jaarlijks het rendement belast, waaronder begrepen de waarde groei van het vermogen. Bijvoorbeeld door koersstijging van effecten. Tenzij het om onroerend goed gaat. Dan is er sprake van heffing bij verkoop, waarbij de tussentijdse waarde ontwikkeling niet wordt meegenomen.

Raad van State

De Raad van State uit forse kritiek op het wetsvoorstel en adviseert de regering om het wetsvoorstel niet in te dienen bij de Tweede Kamer.

Enerzijds vanuit theoretisch standpunt: er is geen enkele visie op de heffing over het vermogen in de verschillende boxen van de inkomstenbelasting.

Anderzijds, voor de praktijk meer van belang: het stelsel is veel te complex.

Bij de belastingbetalers wordt een groter beroep gedaan op het zogenoemde doenvermogen. Ven hen wordt verwacht dat deze veel meer gegevens bij gaan houden, en veel meer inzicht hebben in de regels. Een zware belasting dus op het doenvermogen. Ook moeten er meer gegevens worden bewaard. De bewaarplicht is hierbij gesteld op drie jaar, terwijl de belastingdienst vijf of soms zelfs twaalf jaar heeft om na te vorderen. Dit is tegenstrijdig.

Maar ook bij de belastingdienst leidt dit tot meer uitvoeringsdruk, omdat minder wordt gewerkt met automatische gegevens geldt dat er meer controle nodig is.

Vastgoedbijtelling

Daarnaast stelt de Raad van State een groot procesrisico op de bijtelling voor het eigen gebruik van vastgoed. Bijvoorbeeld de vakantiewoning. Dat dit belast is sluit volgens de Raad van State niet aan bij de belevingswereld van de belastingbetaler (en ons inziens ook niet op de arresten van 6 juni 2024). Dat leidt tot risico op nieuwe procedures. Volgens de Raad van State is de rechtmatigheid niet voldoende onderbouwd.

Concluderend

Box 3 blijft een hoofdpijn dossier bij de belastingdienst. Enerzijds omdat de wetgeving, vaak ingegeven door politieke motieven, nauwelijks samenhang en structuur kent. Anderzijds ook omdat de verouderde ICT bij de belastingdienst echt ingrijpende wijzigen onmogelijk maakt.

Of het nieuwe Box 3 voorstel wordt ingediend en aangenomen is nog zeer onzeker. Ook blijft nog onduidelijk wanneer deze in werking treedt. Hoewel het politieke doel 2028 is, heeft de belastingdienst al aangegeven dat eerder dan 2029 niet haalbaar is.