We zijn er voor je
Ondersteund door ICT
Ondernemer tot ondernemer

Tweede fiets van de zaak nu ook tegen 7% bijtelling

Per 1 juni 2026 heeft de Belastingdienst duidelijkheid gegeven over de fiscale behandeling van een tweede fiets van de zaak. Daarmee is een discussie beslecht die in de praktijk al langere tijd tot terughoudendheid leidde bij werkgevers en adviseurs.

De kern van de wijziging is eenvoudig: een werknemer kan meerdere fietsen van de zaak gebruiken, waarbij voor elke fiets dezelfde bijtelling van 7% geldt. Dit betekent dat het onderscheid tussen een eerste en een tweede fiets in fiscale zin is vervallen.

Van onduidelijkheid naar een werkbare regeling

De regeling voor de fiets van de zaak is sinds 2020 gebaseerd op een forfaitaire bijtelling van 7% van de cataloguswaarde. Deze systematiek is eenvoudig en maakt het mogelijk om een fiets zonder complexe administratie ook privé te gebruiken.

In de praktijk ontstond echter onduidelijkheid bij een tweede fiets. Veel werkgevers gingen ervan uit dat:

  1. het 7%-tarief alleen gold voor de eerste fiets; en
  2. een tweede fiets fiscaal ongunstig zou worden behandeld


In sommige interpretaties kon de bijtelling voor een tweede fiets zelfs oplopen tot het volledige bedrag van de cataloguswaarde, wat de regeling feitelijk onaantrekkelijk maakte. De recente bevestiging van de Belastingdienst maakt hier een einde aan. Er is nu expliciet aangegeven dat de 7%-bijtelling ook geldt voor een tweede of volgende fiets, mits aan de voorwaarden van de regeling wordt voldaan.

De voorwaarden blijven ongewijzigd

Hoewel de toepassing is verruimd, zijn de onderliggende voorwaarden niet veranderd. De regeling blijft gebaseerd op het ter beschikking stellen van een fiets door de werkgever.

Dit betekent dat:

  1. de fiets eigendom blijft van de werkgever of via een leaseconstructie ter beschikking wordt gesteld;
  2. de werknemer de fiets ook privé mag gebruiken;
  3. het voordeel van dit privégebruik forfaitair wordt belast via de 7%-bijtelling

Een belangrijk element blijft dat de fiets onderdeel moet zijn van de zakelijke mobiliteit. De Belastingdienst benadrukt dat een fiets die feitelijk uitsluitend voor privédoeleinden wordt gebruikt, niet onder de regeling valt.

Daarmee wordt een grens getrokken tussen:

  1. fietsen die een logische rol spelen in woon-werkverkeer of andere zakelijke verplaatsingen; en
  2. fietsen die uitsluitend een recreatief karakter hebben

Een racefiets die alleen in het weekend wordt gebruikt, zal in de regel niet onder de 7%-regeling vallen.

Praktische duiding

De verruiming sluit aan bij de manier waarop mobiliteit zich in de praktijk ontwikkelt. Werknemers gebruiken steeds vaker verschillende vervoermiddelen naast elkaar en ook meerdere fietsen voor verschillende doeleinden.

Te denken valt aan:

  1. een e-bike voor dagelijks woon-werkverkeer;
  2. een bakfiets voor het combineren van werk en gezinslogistiek;
  3. een lichtere fiets voor kortere ritten of trajecten naar een station.

Binnen deze context is het goed verdedigbaar dat meerdere fietsen onderdeel zijn van één mobiliteitspakket. De fiscale behandeling sluit daar nu op aan. Voor elke fiets wordt 7% van de cataloguswaarde bij het loon van de werknemer geteld. Dit leidt in de praktijk tot een relatief beperkte extra belastingdruk. Bij een fiets met een cataloguswaarde van € 3.000 bedraagt de bijtelling € 210 per jaar, wat neerkomt op een beperkte maandelijkse belastinglast.

Betekenis voor werkgevers

Voor werkgevers creëert deze verduidelijking ruimte om het mobiliteitsbeleid flexibeler in te richten. Waar voorheen vaak werd gekozen voor één standaardfiets per werknemer, ontstaat nu de mogelijkheid om beter aan te sluiten bij het feitelijke gebruik.

Dit kan relevant zijn in situaties waarin:

  1. werknemers verschillende afstanden afleggen;
  2. mobiliteit afhankelijk is van gezinssituatie of werktijden;
  3. wordt ingezet op het vervangen van autokilometers door fietsgebruik.

Tegelijkertijd vraagt dit om een zorgvuldige inrichting van de regeling. Werkgevers doen er verstandig aan om:

  1. vast te leggen onder welke voorwaarden meerdere fietsen worden verstrekt;
  2. te beoordelen of er sprake is van een reële zakelijke inzet per fiets;
  3. de bijtelling correct te verwerken in de loonadministratie.

Conclusie

De wijziging kan worden gezien als een praktische stap van de Belastingdienst. De eerdere onduidelijkheid stond op gespannen voet met de realiteit waarin mobiliteit steeds meer maatwerk is. Door het gelijktrekken van de bijtelling voor meerdere fietsen ontstaat een regeling die beter uitvoerbaar is en tegelijkertijd aansluit bij het doel van het beleid: het stimuleren van duurzame vormen van vervoer.Dat neemt niet weg dat de Belastingdienst een duidelijke grens blijft hanteren. De regeling is bedoeld voor zakelijke mobiliteit en niet voor het fiscaal faciliteren van puur recreatief gebruik. In die zin blijft de kwalificatie van het gebruik doorslaggevend.

De fiscale behandeling van de fiets van de zaak is verduidelijkt. Werknemers kunnen meerdere fietsen gebruiken, waarbij voor iedere fiets de bijtelling van 7% geldt, zolang deze fietsen onderdeel zijn van de zakelijke mobiliteit en onder de bestaande regeling vallen. Voor werkgevers biedt dit kansen om mobiliteitsbeleid flexibeler en aantrekkelijker vorm te geven, mits de regeling zorgvuldig wordt toegepast en goed wordt vastgelegd.